Vogel Vereniging De Wâldsang
   
 
Home
Het familiewapen
Geschiedenis
Nieuws
Index familienamen
Interessante voorouders
Afstamming van adel
Andere Marinussen
In boekvorm
Als u wilt reageren
Nog niet gevonden
Links
 
 
Home / Nieuws 
Nieuws

 
Het verhaal van de familie Marinus nu ook in boekvorm.
Sinds kort is het verhaal over onze familie ook verkrijgbaar is boekvorm.
 
 
Informatie van de website www.buitenplaatseninnederland.nl
Buitenplaats Meerlust
Ligging
Noordlaren - Koningsteeg
Andere benaming
Lugda-plaats, Huis Nicolai
Geschiedenis
Meerlust is ontstaan als een zogenaamd "bisschoppelijk tafelgoed". Het Gorecht viel, net als Drenthe, onder het rechtsgebied van de bisschop van Utrecht. Het toenmalige Meerlust was ook in bisschoppelijk bezit; vandaar ook de naam "tafelgoed". De opbrengsten van de boerderij kwamen rechtstreeks de bisschop ten goede. In 1392 werd het Gorecht als rechtsgebied van de bisschop verpacht aan de stad Groningen. Of de boerderij hier ook in begrepen was, is niet na te gaan.
Vanaf 1536 heet de boerderij ook niet meer een bisschoppelijk bezit maar een Stadsgoed. Willem Huizinge was in die tijd de pachter. Na een aantal jaren werd Sywart Bolte pachter. Hij moest de boerderij onderhouden voor een periode van 30 jaar. Een periode die later werd verlengd, want ook zijn kinderen werden nog als pachters vermeld.
De plaats van de Stadshof werd in 1634 particulier bezit. Doctor Bernardus Lugda en zijn echtgenote werden eigenaar. Hij noemde zijn bezit Lugda-plaats. Na het overlijden van Bernardus Lugda bleven de echtgenote en de kinderen eigenaars. Rond 1660 verkochten ze de plaats aan Sicco van Boekholt.
Na een volgende verkoop verandere de naam in "Huis Nicolai", naar de nieuwe eigenaar dr. Petrus Nicolai a Wyckema en zijn echtgenote Cornelia Stael. Zij kwamen uit Friesland. Toen Cornelia Stael overleed, erfden de beide kinderen een helft van de plaats en Nicolai zelf de andere helft. In 1690 kwam hij in financiële problemen en er volgde een gerechtelijke verkoop van diens helft van het buitenhuis. Deze werd door zijn kinderen gekocht voor 600 Caroli gulden.
In 1693 kocht Egbert Marinus, stadsmuntmeester van Groningen, het huis. Al voor het overlijden van Egbert in 1710, moet het huis al verkocht zijn. In zijn nalatenschap wordt het huis niet meer genoemd. Het huis komt in bezit van Regnerus Cremers. Hij heeft niet lang plezier gehad van zijn bezit. In 1730 werd het, na zijn faillissement, publiek verkocht.
Regnerus Thaarda de Drews koopt het huis in 1730. Hij stamt uit een bekende Groninger regentenfamilie. Hij had door zijn grote aantal functies voor de stad Groningen zoveel aanzien dat bij die status ook een zomerresidentie hoorde. Hij liet naast de oude Stadsplaats een buitenhuis bouwen, Meerlust. Tegen het huis kwam ook een schathuis met woonruimte voor meiden en knechten, dat als vervanging moest dienen van de oude boerderij op de Stadsplaats. Ten oosten van de oude boerderij werd de vroegere landbouwgrond veranderd in een tuinengebied aangelegd in Franse stijl, en een bos.
Na de dood van Regnardus Tjaarda de Drews in 1759 erfde zijn zoon Rudolf de buitenhuis. Rudolf de Drews was in de tweede helft van de 18e eeuw de rijkste inwoner van Groningen. Hij bekleedde talrijke ambten en had veel bezittingen, zoals landerijen maar ook de beide buitenplaatsen naast Meerlust gelegen, Bloemert en Meerwijk in de provincie Drenthe. Na zij overlijden in 1806 werd zijn bezittingen verdeeld onder zijn drie kinderen.
Johan de Drews, getrouwd met Margaretha Bouwina Maria Lewe van Middelstum, werd in 1808 de nieuwe eigenaar. In de Bataafse en Franse Tijd bekleedde hij veel ambtelijke en justiële functies. In en na de Franse Tijd veranderde er veel in Nederland. O.a. het kiesrecht. Het stemrecht was nu niet meer gebasseerd op de hoeveelheid bezit die een persoon had, maar werd gedemocratiseerd. Landadel, patriciërs verloren allemaal hun invloed gebaseerd op bezit. Ook Johan de Drews probeerde zijn bezit kwijt te raken. In 1813 en 1816 mislukte de poging tot openbare verkoop. Kort daarop werd het bezit in percelen verdeeld en gingen deze in andere handen over. Het huis werd bij deze gelegenheid voor afbraak verkocht.
Het grootste deel van de goederen werd gekocht door Jan Homan, die er een buitenplaats van wilde maken. Hij heeft het slechts vier jaar in bezit gehad, want zijn idee werd niet gerealiseerd. Louis Ferdinand de Wosson, kapitein in het Nederlandse leger, nam wat er van de buitenplaats reste over. Kort na 1822 liet hij de huidige boerderij Meerlust bouwen op de plaats waar het schathuis stond. In 1830 komt hij te overlijden. Het huis wordt verkocht aan Albert Albartus Hoenderken, landbouwer uit Noordlaren. Rond 1866 erfden zijn kinderen het huis. Zij lieten de laatste resten van het bos kappen en maakten er weer landbouwgrond van. Kornelsien Hoenderken, de dochter van Albert Hoenderken, trouwde met Arend Sants Haddering. Deze erfde in 1891 de helft van de boerderij van zijn echtgenote en in 1902 ook het deel van Kornelsiens ongetrouwde broer Albartus.
Rond 1910 was de familie Haddering van de plan om de boerderij te verbouwen. Tot 1951 bleef het huis goed onderhouden, maar daarna ging het snel bergafwaarts. In 1974 werd de laatste bewoner, Arend Sants Renken, gedwongen het huis te verlaten. Het huis werd onbewoonbaar verklaard. Hij werd vier jaar later onder curatele gesteld; vlak daarna kon er begonnen worden met de restauratie. Het huis wordt nu bewoond door de families Kollé en Van Herwaarden.
Bewoners
- 1536 bisschoppelijk bezit
1536 - 1634 stad Groningen
1634 - dr. Bernardus Lugda
- 1660 vrouw en kinderen van Bernardus Lugda
1660 - 1693 dr. Petrus Nicolai Wyckema x Cornelia Stael
1693 - < 1710 Egbert Marinus
< 1710 - 1730 Regnerus Cremers
1730 - 1759 Regnerus Tjaarda de Drews
1759 - 1806 Rudolf de Drews
1808 - ca 1816 Johan de Drews x Margaretha Bouwina Maria Lewe van Middelstum
ca 1816 - 1820 Jan Homan
1820 - 1830 Louis Ferdinand de Wosson
1830 - 1866 Albert Albartus Hoenderken
1866 - 1891 Kornelsien Hoenderken x Arend Sants Haddering en Albartus Hoenderken
1891 - 1902 Arend Sants Haddering en Albartus Hoenderken
1902 - Arend Sants Haddering
- 1974 Arend Sants Renken
- familie Kollé en familie Van Herwerden
Huidige doeleinden
Particuliere bewoning
Opengesteld
Niet toegankelijk
Bronverwijzing
Buitenhuizen in Haren. Wonen op stand. 

Een stukje historie verdwenen in Veghel.
Ferdinand Marinus begeleidt de zware draaibank terwijl die op de vrachtauto wordt getakeld (foto Peter van Erp)

Lambertus Marinus, gedoopt 19 maart 1665, overleden voor 1719 was ook muntmeester.
Egbert en Johanna Marinus laten bij hun dood minderjarige kinderen na. Zoals u al heeft kunnen lezen werd daarom in 1710 een inventaris gemaakt van alle onroerende en roerende goederen. Er staan lezenswaardige zaken in deze inventaris. Opvallend is o.a. bij de onroerende goederen “7/8 part van huis en munt te Staden”. Mijn veronderstelling dat het hier zou kunnen handelen om het hanzestadje Stade aan de Elbe in Duitsland, bleek juist te zijn.
De Stadsdirektor te Stade schrijft mij dat de munt was gevestigd aan Wasser West, waarschijnlijk het huis met nummer 17, dat een grote tuin heeft.
In de “Steuerrolle” van 1698-99, een bijzondere belasting voor de wederopbouw van een dam in de vestinggracht, werd namelijk als eigenaar “Münzmeister Marinus”genoemd. De Stadsdirektor meldt verder dat hij dan in loondienst geweest moet zijn van de Zweedse regering. Van de conservator van het Zweeds muntenkabinet te Stockholm kreeg ik de volgende informatie.
Het aartsbisdom Bremen en het bisdom Verden werden bij de Vrede van Westphalen in 1648 verenigd als een hertogdom en de Zweedse koning werd erfelijk hertog. De hanzestad Bremen bleef echter zelfstandig en daardoor werd het Zweedse gouvernement en de munt gevestigd te Stade. In 1712 werd het hertogdom veroverd door de Denen en Stade werd bij het Vredesverdrag van Stockholm in 1719 officieel Deens.

Een foto van Wasser West te Stade. Dit deel van Stade met schitterende gerestaureerde gebouwen is zeker het bezoeken waard. Met enige fantasie zie je daar Lambertus Marinus lopen.
Gedurende de periode 1695 - 1698 was de muntmeester in Stade Lambert Marinus. Op de door hem geslagen munten staan de inititalen “LM”. De Zweedse informatie wordt besloten met “maar ik weet niets van Egbert Marinus”.
Onze neef Jan Marinus (4e Friese tak XIIIi) heeft tijdens zijn vakantie in Zweden (2003) het “Kungliga Myntkabinettet” in Stockholm bezocht en daar zijn foto’s gemaakt van de door Lambertus geslagen munten .
Onder Koning Karel XI van Zweden (1660-1697) werden door hem geslagen een 2/3 taler, een 1/24 taler en een 1/48 taler alle drie in 1697. Onder Koning Karel XII (1697-1718) sloeg hij in 1698 nog een 2/3 taler. Op alle munten is muntmeesterteken LM duidelijk leesbaar.

Hieronder u een foto van de 2/3 taler uit 1697.


Het duurde daarna lange tijd voor ik de bevestiging kon vinden dat de muntmeester van Stade inderdaad de broer van Egbert was. Die bevestigingvond ik in het boek van M.Bahrfeld uit 1892 “Die Münzen und das Münzwesen der herzorgtümer Bremen und Verden unter Swedischer herschaft 1648 – 1719”.
Volgens dat boek schrijft Lambertus in zijn sollicitatiebrief dat hij vele jaren zijn beroep heeft uitgeoefend bij zijn broer Egbert, muntmeester van de stad en de provincie Groningen. (Dat laatste is natuurlijk onjuist). In een voorstel aan de Koning van Zweden om hem te benoemen staat o.a. dat hij welgesteld is, een munthuis wil bouwen op zijn kosten en verder alle onkosten voor zijn rekening neemt. Op 30 december 1695 gaat de koning akkoord met zijn benoeming. Hij krijgt een salaris van 300 Thaler; als zijn wardijn wordt Georg Christiaan Sauerbrey benoemd. Volgens het boek is er geen contract met Marinus gevonden, althans het werd destijds niet gevonden.
Dan vinden nog een opmerkelijk stukje in het boek. Ik heb dat voor u vertaald.
“De inrichting van het munthuis leverde overigens problemen op, omdat het schip, waarop Marinus zijn muntgereedschappen van Holland had verzonden, door een Franse kaper op het Groninger wad werd gestolen. Het koste lange onderhandelingen en de bemiddeling van de Zweedse resident Palmquist in Parijs, voor de teruggave volgde.
In 1698 stopt de muntslag in Stade definitief, hoewel Lambertus nog wel probeert om tot een herstart te komen. Over het verblijf van Marinus in Stade is niets bekend; Sauerbrey ging in 1704 als wardijn naar de hertogelijke Schleswig-Holsteinsche munt in Tönningen, aldus Bahrfeldt.
Na Stade raken wij het spoor van Lambertus kwijt tot hij in 1712 trouwt in Deventer.
Hoe de zaken precies hebben gelegen zullen we wel nooit achterhalen, maar onze voorvader Egbert had vast wel het een en ander te vertellen in het muntmeesters wereldje: zelf muntmeester in Groningen, broer Adriaan essayeur bij de munt in Nijmegen, zoon Herbert muntmeester in Leeuwarden en broer Lambertus in Zweedse dienst te Stade.
 

 
Johan Willem Marinus, gedoopt 1 november 1694.
Recentelijk hebben wij nieuws gevonden over deze voorvader.
Hieronder onze bevindingen.
 
Johan Willem (wij komen hem ook tegen als Jan Willem en Joan Willem) overleden te Beesd op 3 mei 1765; hij laat dan Elisabeth Catharina Samilia KALDEN na als weduwe. Op het bijbelblad vinden wij ook nog dat hij daarvoor gehuwd zou zijn geweest met Johanna TINGA, ergens anders hebben wij dat niet gevonden. Wel vinden wij dat hij bij zijn overlijden meer dan 40 jaar getrouwd is geweest met Kalden. Er zijn voorzover bekend geen kinderen.
Als hij 18 jaar is wordt hij ingeschreven aan de Groningse Universiteit (7 juli 1712) voor de studie filosofie. In die tijd gebruikelijk voor jongens van stand. Zijn studie aan de universiteit slaagt kennelijk en hij wordt in 1719 predikant in Enkhuizen.
Wat onze Jan Willem precies heeft bewogen weten wij niet natuurlijk maar op 18 december 1719, hij is dan 25 jaar, scheept hij zich in aan boord van het VOC-schip “Huis de Vlotter” en vertrekt vanaf Texel richting Batavia. Naast kapitein Jan Pieterzoon Keizer zijn er 183 mensen aan boord van het schip van 528 ton.
“Huis de Vlotter” is een zgn. fluit gebouwd in 1713 in Amsterdam. Het is een betrekkelijk smal schip met een vlakke bodem en een rond achterschip. In de loop van de tijd werden de schepen iets breder. De fluit heeft 3 masten en door de hoge grote mast en de fokkemast kon er een aanzienlijk zeiloppervlak worden gevoerd. Het schip kon met een kleine bemanning worden gevaren. Er waren slechts enkele stukken geschut aan boord.

Als wij de lijst bekijken van de mensen die aan boord gingen dan bestaat die, naast leden van de bemanning, uit ruim 71 militairen, onder wie 61 soldaten. Bij de militairen ontbreken de tamboer en de trompetter niet. Jan Willem Marinus is in het gezelschap een buitenbeentje.
Op 5 mei 1720 arriveert het bonte gezelschap in Kaap de Goede Hoop. Schip en bemanning blijven daar tot 8 juni 1720, als wordt begonnen aan de reis naar Batavia, daar komt het schip aan op 15 augustus 1720.
Van de geschiedenis op school herinneren wij ons allemaal nog wel dat de reizen veelal geen pretje waren en er veel zieken en doden waren, met name doordat geen vers water en eten beschikbaar was.
Als “Huis de Vlotter” van Texel vertrek zijn er 181 mensen aan boord. Tussen Texel en Kaap de Goede hoop zijn er 19 doden onder de bemanning, op de hele reis vallen er 21 doden. Een pretje was het dus zeker niet aan boord.
Over de activiteiten van Jan Willem in Batavia hebben wij niets kunnen vinden. Hij zal daar uiteraard predikant zijn geweest, het verdere hoe en wat weten wij niet. Hij was er natuurlijk ook maar heel kort want datzelfde jaar (1720) wordt hij predikant in Ceylon als opvolger van dominee Wetzelius.
Het eiland Ceylon, tegenwoordig Sri Lanka, was omstreeks 1600 de belangrijkste leverancier van kaneel in de wereld. Het kustgebied was in handen van de Portugezen. Door de VOC werden de Portugezen definitief verdreven 1658. Voorzover wij kunnen afleiden uit stukken had Jan Willem als predikant standplaats in Galle, een fort van de VOC. Galle was ook het vertrekpunt van de retourvloot, die bij Kaap de Goede Hoop zich samenvoegde met de vloot uit Batavia. Het fort Galle moest zorgen voor de verdediging.
 

 

Op Ceylon heeft predikant Marinus wel van zich doen spreken. Wij komen zijn naam verscheidene keren tegen in de notulen van de kerkenraad van Colombo. Wat er precies aan de hand is geweest weten wij niet, maar dat het niet boterde tussen de verschillende predikanten is wel duidelijk.
Ook correspondeerde hij regelmatig met de gouverneur van Ceylon Stephanus Versluijs. Hij rapporteerde over zijn werk op het eiland. Uit zijn brieven in een klein, maar mooi handschrift, kunnen wij afleiden dat er op het eiland wel werd gedaan aan zending met name via scholen. Duidelijk blijkt uit de brieven dat alles lang niet naar de zin van ons familielid ging. In één van zijn brieven schrijft hij zelfs over “barbarische heijdenen”. Zijn laatste brief aan de gouverneur is gedateerd 25 juli 1731. Gouverneur Versluijs, die gouverneur van Ceylon was van 1729 – 1732, vertrekt daarna naar Batavia. Johan Willem had kennelijk een goede (zakelijke) relatie met de gouverneur, althans dat meen ik te mogen afleiden uit zijn laatste brief. (Algemeen rijksarchief, jaar 1876 A-XXII3, inv.nr.168)
Op zich staat er in deze brief niet veel nieuws. Het is alleen wel curieus om te zien hoe er (door hem) werd gecorrespondeerd:
 
Wel Edele Groot Agtbare en hoog Gebiedende Heer,
Ik hebbe van mijn schulden en pligt geoordeeld Sijn Wel Edele met sijne behouwdene opkomste tot den setel Sijner Regeringe te feliciteren en daar bij te voegen mijnen opregsten dankbetuijgingen voor alle erevriendschap en genegentheijd het welke Sijn Wel Edele mij so goedgunstelijk, gedurende sijn verblijf alhier heeft gelieven en op te hopen; Ik sal de selve nooijt vergeten, wijlen de selve een gedurige spoor sullen zijn om meer en meer sodanig te leven als ’t een dienaar van God en een onderdaen van Sijn Wel Edele betaamt, wel wetende dat ik nergens dan daar mede Sijn Wel Edele meerder genoegen toebrengen en mijn dankbaarheijd betonen kan. Ook sal ik de God van hemel en aerde bidden dat hij sijn Wel Edele in sijn hoogaensienlijk en niet min gewigtig ambt gelieve te ondersteunen met sijnen heijligen Geest en alle ondernemingen met sulken heijlsaam gevolg te kronen, dat Sijn Wel Edels Regering gezegend voorspoedig en tot sijn Wel Edels vergenoegen zijn mag.
De eeuwiglevende God gunne Sijn Wel Edele en aan sijn enigste en seer dierbare soontje gesondheijd met al dat wenschelijk is. Met dese heijlbede hebbe ik ’t geluk na mij verdere aen Sijn Wel Edeld goede gedagten opgedragen te hebben om mij in allen eerbied en onderdanigheijd te noemen.
 
De ondertekening van de brief:
 

 
En om het beeld van die tijd een beetje compleet te krijgen een portret van Gouverneur Versluys van Ceylon.
 

 
Onze vriend Johan Willem zal uiteindelijk ook naar Batavia vertrekken, maar dat is eerst in 1736, waar hij in 1737 wordt beroepen bij de Neder Duitse gemeente.
Op 15 december 1741 vertrekt hij met het schip “Huis ter Duine” weer naar Nederland, alwaar hij op 20 juli 1742 aankomt. Kennelijk nam men uit het verre Batavia dan ook berichten mee voor Nederland. In het boek over geslacht Nolthenius lees ik op blz. 527 van het ontvangen van een doodsbericht, ruim een jaar na het overlijden “Recipe 9 Aug.1742, per den predikant Willem Marinus, op ’s schip “t Huys ten Duyne”, over Zeeland “, schrijft de ontvanger boven de lijkbrief.


Afscheid van machinst Henk Marinus
 
Alweer enige tijd nam Henk Marinus afscheid als machinst.
 
 

© 2010 Henk Marinus  Printen   Site Map