Vogel Vereniging De Wâldsang
   
 
Home
Het familiewapen
Geschiedenis
Nieuws
Index familienamen
Interessante voorouders
Afstamming van adel
Andere Marinussen
In boekvorm
Als u wilt reageren
Nog niet gevonden
Links
 
 
Home / Interessante voorouders 
Interessante voorouders

Egbert Marinus, gedoopt Deventer 23 december 1653, overleden tussen 1708 en 1711

Egbert was in Deventer werkzaam als essayeur aan de munt, waaraan hij in 1682 is benoemd. Egbert werkte in de munt met muntmeester Peter Sluysken, die in 1683 een aanstelling kreeg voor 16 jaar. Er werkten toen 40 tot 80 mensen in de Muntentoren. De muntentoren in Deventer is nog steeds een van de mooie oude gebouwen in de stad Deventer. Vermoedelijk is het huidige gebouw al in 1200 gesticht, destijds waarschijnlijk als pakhuis. De huidige toren op de munt is uit 1560. Nadat het gebouw in de 18e en 19e eeuw zonder toren was, werd de toren begin 1900 weer aangebracht en na de oorlog 1940/45 weer hersteld.

In 1690 wordt hij benoemd tot muntmeester van de stad Groningen "voor de tijt van twaelf aghtereenvolgende jaeren." Groningen telde in die tijd ongeveer 22.000 inwoners.
Er werd nog wel eens werd gesjoemeld door muntmeesters. De Marinussen vormden daarop waarschijnlijk geen uitzondering. In een resolutie van de stad Groningen, die aanwezig is in het gemeente-archief van Groningen lezen wij:

 Gehoord het rapport van de E.E.Hr. Borgemeesteren nopende de saeke
 van des stads muntmeester Egbertus Marinus daer beneffens ingediende
 sententie van 20 december 1692 bij dewelke deselve waeren gecondem-
 neert om arbitrarie te worden gecorrigeert doordien sich hadde onder-
 staen om tegen verbodt en doe dat hem de stempels waren afgehaalt,
 nogh Schellingen te slaen, waarover gedelibereert zijnde, hebbende de
 Heeren Borgermeesteren en de Raedt de breuk ingevolge genoemde
 sententie begrotende, de gemelde muntmeester Egbertus Marinus gecon-
 demneert om 200 ducatons te dien synde aan des stads Rentmeester te
 betalen om tot dienst van de stad te worden geamployeert.

Hij kwam er dus met een boete af. Zijn zoon Herbert, daarover later meer, die muntmeester was in Leeuwarden, had het vak kennelijk van zijn vader geleerd. Hij ontsprong ook de dans. Op 8 augustus 1714 werd n.l. naar aanleiding van klachten van de Raden en Generaal-Muntmeesters over het slaan van minderwaardige guldens, de munt verzegeld. Onze muntmeester Herbert werd toen zelfs "in civiel arrest genomen".

Nasporingen hebben duidelijk gemaakt, dat hij zijn bedrijf en woning had aan de Marktstraat in Groningen op de plaats waar nu de ambtswoning van de Commissaris van de Koningin staat. (gebouwd in 1880). Egbert betaalde voor die tijd een hoge prijs voor het huis en daaruit mag worden afgeleid dat het een groot huis is geweest. In de koopakte wordt gesproken van een "groot en kleinder huys", terwijl "hoff en stalle" zich achter de woningen bevonden.

Op mijn verzoek heeft dr. Johan de Haan de schijver van het boek “Hier ziet men uit paleizen”
(tevens proefschrift), het Groninger interieur in de zeventiende en achttiende eeuw, commentaar geleverd op de inventaris van Egbert Marinus.
Johan de Haan promoveerde in oktober 2005 aan de Radboutuniversiteit te Nijmegen.

Staet en Inventaris van Egbert Marinus en Joanna Daendels, 1711

Het huis aan de Marktstraat in Groningen
Algemeen: de opsomming van vertrekken laat een nauwgezette reconstructie van de indeling van het huis niet toe. De relatief grote hoeveelheid kamers wijst op een groot huis, dat gezien zijn ligging in de Marktstraat mogelijk een ‘breed’ dwarshuis was, met de nokrichting evenwijdig aan de straat en de lange gevel naar de straat gekeerd. Gericht onderzoek zal uit kunnen wijzen om welk huis het precies gaat.

Opmerkingen per vertrek:
Grote voorkamer
Duidelijk de pronkkamer, waarin in dit geval geen stookplaats aanwezig lijkt te zijn geweest. Er stond een staatsieledikant, met bloedrode trijp beklede stoelen en een kabinet van ‘sakerdanen’ (palissander) hout. In dit kabinet werd het linnen bewaard.
Daarnaast is er een wandtafel te vinden, waarbij hoogstwaarschijnlijk de twee guéridons hoorden (ze stonden ter weerszijden) en waarboven een spiegel hing. Verder lagen er vier matten op de vloer en hingen er aan de wanden 23 schilderijen en schilderijtjes, een hoog aantal. Ook de hoeveelheid porselein was aanzienlijk.
Goudleerskamer:
ontleende zijn naam aan het behang van goudleer. Schilderijen waren in deze kamer niet te vinden.
Waarschijnlijk lag deze kamer aan de straatzijde, gezien de twee ‘raemties’ of horretjes die voor de vensters stonden. Er bevond zich een stookplaats in deze kamer. Deze schoorsteen was van ouderwets, hoog model, want er wordt een ‘rabat’ of haardkleed genoemd die aan de schouwbalk gehangen moet hebben. Deze rabat werd gebruikt om de rookvang a.h.w. te verlagen en zo de trek te verbeteren.
De kelderkamer:
deze kamer lag boven een kelder. Wij zouden dit vertrek een ‘opkamer’ noemen. Deze kamer kan beschouwd worden als een intieme gezelschapskamer, waar men bijvoorbeeld thee dronk. Er stond een met groene stof bekleed ledikant en er was een rustbank te vinden. Bij de zes stoelen van pruimbomenhout hoorden zes losse groene kussens. Voor de haard stond een beschilderd haardscherm. Verder waren in deze kamer schilderijen en prentjes (in vergulde lijsten) te vinden en verschillende voorwerpen van porselein.
Het comptoir diende vanouds als ‘kantoor’ of kamer waarin de administratie werd bijgehouden. De aanwezigheid van twee lessenaars, twee stoelen en een kist wijst op dit gebruik. Het comptoir lag vrijwel altijd aan de straatzijde van het huis, naast of vlakbij de voordeur, vandaar ook de aanwezigheid van een ‘marktemmer’, de voorloper van de boodschappentas.
De gang
Deze gang is niet te beschouwen als de gang die achter de voordeur begon: daar lag namelijk het voorhuis (vestibule, zouden wij zeggen). Waarschijnlijk gaat het hier om een gang aan de achterzijde van het huis, die mogelijk op de tuin uitkwam.
De kinderkamer
Dit vertrek zal gezien de betrekkelijk kleine hoeveelheid meubels niet zo groot zijn geweest. Het meubilair bestaat uit niet meer dan drie stoelen met kussens en een vierkante lessenaar. Met het ‘kleijn bedde’ wordt geen bed aangeduid, maar een matras. Deze lag in een bedstede, waar de vermelding van de twee gordijen ‘voor het bedde’ naar verwijst.
De grote keuken
De grote keuken laat het fenomeen van een in dit geval zeer deftige ‘woonkeuken’ zien. Hier werd niet (uitsluitend) gekookt, maar vooral gewoond. Het vele keukengoed zoals porselein en tinnen eetgerei was hier opgeborgen en waarschijnlijk ook wel deels uitgestald. De aanwezigheid van een ledikant (hemelbed), stoelen en schenktafels wijst op de woonfunctie. Dat doet ook de Bijbel, die in combinatie met zijn ‘voet’, een staande lessenaar, wordt genoemd. Wellicht at de familie in dit vertrek en kon er tijdens de maaltijd uit de bijbel worden voorgelezen.
Het voorhuis
Het voorhuis was het eerste vertrek dat de bezoeker binnenkwam: het lag meteen achter de voordeur. Het voorhuis van Egbert Marinus was op een voor de 18de eeuw gebruikelijke manier ingericht: een paar landkaarten en schilderijen  en twee stoelen waarop bezoekers plaats konden nemen als ze moesten wachten.
De kelder
Waar de kelder lag, is lastig na te gaan. Hij zal gezien de hoeveelheid objecten die zich erin bevonden, niet groot zijn geweest. Vermoedelijk lag deze kelder onder de eerder genoemde ‘Kelder kamer’.
De achterkeuken
Dit was de echte kook-keuken: niets verwijst hier naar de woonfunctie waarvan bij de grote keuken sprake was. Integendeel zelfs: keukengerei zet de toon, net als kasten waarin servies- en glasgoed werd opgeborgen.
Vaders kamer (soort van bibliotheek)
Deze ruimte diende duidelijk tot bibliotheek. Uit de opsomming van de boeken blijkt dat Egbert Marinus een voor zijn tijd aanzienlijke collectie had. Zelfs in heel rijke boedels zijn boeken niet altijd vanzelfsprekend. In veel achttiende-eeuwse inventarissen valt zelfs het geringe aantal boeken op. Aardig is de vermelding van een rustbank, waarvan we natuurlijk niet zeker weten of de heer des huizes deze als gemakkelijke leesstoel gebruikte. Ondenkbaar is het echter niet.  In de kamer stond ook de grote linnenkast. Erg gevuld was deze echter niet.
De spieskamer
Dit was eigenlijk geen kamer, maar een grote, ingebouwde kast: de ‘spijskamer’. Hierin werd doorgaans etenswaar bewaard. In deze inventaris is daarvan echter geen sprake: de spijskamer werd hier waarschijnlijk gebruikt als een soort ‘lampenkamer’, waarin de olielampjes (die door het hele huis werden gebruikt) met olie werden gevuld.
De grote bovenkamer
Dit is de eerste kamer waarvan met zekerheid kan worden gezegd dat deze op de verdieping lag. Gezien het geringe aantal andere kamers dat hierna wordt genoemd, kan vermoed worden dat de verdieping lang zo uitgebreid niet was als de begane grond. Dat was overigens niets bijzonders: veel grote huizen in Groningen hadden slechts een bewoonbare eerste verdieping boven het voorste deel van het huis. Het achterste deel kon uit slechts een bouwlaag met een zolder bestaan.
De jufferskamer
Deze ruimte was ongetwijfeld bestemd voor de ‘dochter des huizes’, die hier in een paviljoenbed (een bed met een kleine, ronde of vierkante hemel) sliep. Aardig is de vermelding van een klavecimbel in dit vertrek. Muziek werd voor rijke jongedames als een passend tijdverdrijf beschouwd.
De muntmeesterskamer
Dit lijkt de slaapkamer van de muntmeester (de heer des huizes?). Er stond een hemelbed (ledicant), een eenvoudig (‘gemeen’) eiken kastje , een boekenkast en vijf stoelen. De tafel stond waarschijnlijk tegen de wand. Er hing een spiegel boven. Enkele prentjes en twee schilderijen dienden als wanddecoratie.
De zolders
Boven het huis bevond zich de grote zolder, die in twee kledingzolders en de turfzolder was verdeeld. Op de kledingzolders stonden –anders dan de naam doet vermoeden- afgedankte meubels en gebruiksvoorwerpen. De turfzolder zal gebruikt zijn voor opslag van turf, de belangrijkste warmtebron in het 17de-eeuwse huis (in de open haarden werd dikwijls turf gebrand).
De gietkamer (het bedrijf)
De gietkamer was de bedrijfsruimte van de muntmeester. Deze lag waarschijnlijk los van het eigenlijke woonhuis. In de aanhef van de inventaris is sprake van een ‘Huijs’ em ‘Hof’ en de ‘Munte’, waar de gietkamer tot behoord zal hebben.


 

 
 

© 2010 Henk Marinus  Printen   Site Map